.
.
.
.
.
.
Mandala
.
.
.
.
.

 

Ga ontspannen zitten met beide voeten op de grond. Leg je handen open op je bovenbenen.
Doe je ogen dicht en haal diep adem. Bij elke uitademing laat je spanning uit je lichaam verdwijnen. Voel hoe je lichaam zwaar wordt. Vergeet alles om je heen en haal rustig adem.

Ga nu met je gedachten naar een plek die voor jou veilig voelt. Het kan een huis zijn, een bos, een natuurgebied, wat voor jou prettig is om te verblijven.
Neem alles wat je ziet in je op. Wat doet het met je. Voel je emoties. Laat je emoties gaan. Huil als je voelt dat je moet huilen. Lach als je voelt dat je moet lachen. Laat je gaan.

Verlaat de plek en ga naar een ruimte waar je je onveilig voelde. Kijk goed om je heen. Wat voel je, wat doet het met je. Laat je emoties gaan. Denk aan die eerdere veilige plek, je kunt er altijd weer naar terug gaan.
Maar nu moet je eerst de confrontatie aangaan. Wat is er gebeurd. Zie het voor je. Laat alle emoties gaan. Stuur nare beelden weg nadat je ze goed in je opgenomen hebt. Zeg dat je niet langer angstig bent omdat je weet dat er een veilige plek is en dat je altijd naar die plek terug kunt gaan.
Blijf rustig adem halen. Er kan je niets gebeuren. Denk aan de veilige plek.

Als je vindt dat je lang genoeg op de onveilige plek bent geweest, zeg dan tegen jezelf: “Deze plek kan me niet langer kwaad doen. Ik kan hier mezelf zijn zonder angsten, zonder verdriet. Ik kan als mezelf op deze plek rondkijken. Niemand zal zeggen wat ik moet doen. Ik mag doen wat ik wil. Deze plek is veilig. En als er gevaar op de loer ligt kan ik zeggen, dat ik niet bang meer ben. Er is altijd die eerdere veilige plek waar ik heen kan gaan.”

Kom nu terug naar het hier en nu. Doe langzaam je ogen open en kijk rond. Beweeg je ledematen, rek je uit en voel dat je zelfverzekerder bent geworden.